Zoeken

Muziekvereniging Euterpe in de tuin van schouwburg Kunstmin.

Afbeelding  552_315406

Collectie
Gemeentelijke Prentverzameling
Inventarisnummer
552_315406
Beschrijving
Muziekvereniging Euterpe in de tuin van schouwburg Kunstmin.
Gebouw / instelling
Euterpe Schouwburg Kunstmin
Geografie
Dordrecht
Straat
Godfried Schalckensingel Sint Jorisweg
Datum of periode
01-01-1863  ‐  31-12-1867
Beeldtype
foto
Trefwoorden
groepsportretten muziek verenigingen
 onthouden  vergeten      downloaden
toon op grote kaart
NB: De markering op de kaart wordt gegenereerd aan de hand van de beschikbare gegevens en kan afwijken van de werkelijke lokatie.

5 reacties Commentaar van bezoekers

Ton Waalboer 3 jaar geleden
Uhhh .. teruglezend is het natuurlijk discutabel of deze muziektempel de eerste of tweede versie is. Los van het feit dat ik me niet eerder verdiept heb in het bestaan van muziekvereniging Euterpe, neig ik nu naar de eerste versie.
Nog maar eens een krantenartikel erbij halen wat verhaald over de geschiedenis van Kunstmin en wat hoofdzakelijk door Dordrechts Archivaris J.L. van Dalen op een rijtje is gezet: "De stichting van Kunstmin (aldus Van Dalen) valt in den tijd, toen muziek, zang en tooneel tallooze beoefenaars en liefhebbers te Dordrecht telden. Het wemelde er van vereenigingen: Dordrechtsch Concert, Euterpe, De Liedertafel, Koraaloefening, enz., schonken het Dordtsche publiek, zoo des zomers als des winters, in ruime mate muzikaal genot. De Rederijkerij had aan de Merwe eveneens haar tenten opgeslagen: Eensgezindheid, Thalia en Melpomone gaven verdienstelijke tooneelvoorstellingen, Dordrecht was een „paradijs sankomt”, van opgewekt leven, het palladium van een ernstig dillettantisme. En steeds wies het aantal dergenen, die zich vrijwillig in het zachte gareel der muzen lieten spannen. In 1849 werd alzoo Kunstmin geboren. De ijverige bemoeiingen van een zestal heeren, n.l. van C. A. Vriesendorp, S. J. Mak van Waay‚ W. vander Koogh H.zn., D. de Jongh W.zn., P. G. van der Veer en F. J. van den Blijk, leidden tot oprichting van een vereeniging, die meer omvatten zou dan een der andere. Zij was gesplitst in vier afdeelingen, n.l.: Beeldende Kunsten, Vocale Toonkunst, Instrumentale Toonkunst en Uiterlijke Welsprekendheid, en begeerde dus alle uitingen van kunst in zich saam te brengen. Het lokaal voor de kunstoefeningen was eerst boven de Blauwpoort, maar de aanwas van leden (in 1854 Waren er reeds 68), gebood, uit te zien naar een meer geschikte, liefst eigen lokaliteit. Er zou echter nog geruimen tijd voorbijgaan, vóór die wensch vervuld kon worden en men behielp zich voor de zeer druk bezochte soiree’s met den schouwburg van den heer van Peere in de Wijnstraat. Kort daarna, 14 Nov. 1858, werd door de afdeeling Uiterlijke Welsprekendheid en Beeldende Kunsten een voorstelling gegeven in Minards Schouwburg te Gent, aangeboden aan de Fontemisten, leden der Koninklijke Maatschappij van Rethorica aldaar, uit erkentelijkheid voor de voorstelling door laatstgenoemd gezelschap 16 Nov. 1857 aan Kunstmins leden gegeven. De echt kunstbroederlijke ontvangst, door hen toen van de Fonteinisten genoten, haalde den vroeger gelegden broederband nog nauwer toe, en werd door Peetsold aldus herdacht: "Kunstmin! dit mogt Gij ervaren, Toen Gij Artevelde’s stad, Met slechts enkelen uit uw scharen, In ’t verdwenen jaar betradt. Toen Gij, wars van veete of twisten, Bij Oost-Vlaandrens Tonteinisten, Dankbaar voor uw broederzin, Nieuwen kunstroem mogt behalen, En U koestren in de stralen Van de zon der Broedermin, En met hen een vriendschap sloot, Naauw te ontbinden door den dood” Gedurende de eerste tien jaren van haar bestaan heeft de vereeniginig Kunstmin veel van zich doen spreken. Behalve voor eigen kring, begon zij ook in het openbaar op te treden, voornamelijk bij feestelijke gelegenheden, of tot liefdadige doeleinden. Zoo gaf zij 30 Jan. 1854 een welgeslaagde soirée ten voordeele der algemeene armen en luisterde zij in Sept. 1854 de Landbouwfeesten op. In Sept. 1858 gaf zij een soirée waarvan de opbrengst ten voordeele kwam van het fonds tot oprichting van een standbeeld voor Arij Scheffer. Van deze drie gebeurtenissen dichtte het medelid J. H. Peetsold in 1859: „Steeds mogt Gij uwe ingewijden Door tafreel of spel verblijden; Maar vooral op ’t Ceres-feest Gaaft Ge een blijk van Kunstmins geest, Dat bij vreemden U deed eeren En uw kunsttalent waardeeren. En toen Scheffers dood met rouw Ieder kunstvriends hart vervulde, Bragt Gij ook ’s mans roem getrouw De zoo wèl verdiende hulde, En aan ’t standbeeld. hem gewijd, Ook den penning uwer vlijt. Mogen steeds uw kunst-tafreelen In ’s kunstminnaars gunsten deelen, Spel of voordragt vaak juweelen Hechten aan uw eere-kroon, Eens verwierft Gij ’t edelst loon: Toen Ge uw kunst den schaam’le wijdde, Hem van nood en kommer vrijdde, En de traan der dankbre ziel Uw talent ten offer viel.” Bij zooveel krachtig leven kon het niet anders, of de bestuurders zagen steeds naar middelen uit, om den bloei van de vereeniging te verzekeren. Zoo werd in 1858 bij de afdeeling Uiterlijke Welsprekendheid een onderafdeeling opgericht, bestaande uit jeugdige vrouwelijke en mannelijke élèves, met het doel deze in de declamatie en tooneelspeelkunst te oefenen. Toch bleek de onderafdeeling niet genoeg levensvatbaarheid te bezitten, wat inderdaad te betreuren was, daar zij een vóórschool vormde tot de eigenlijke afdeeling, waarin geroutineerde dilettanten de kunst beoefenden. Uitbreiding. Tot 1859 bestond Kunstmin slechts uit werkende leden, toen werd besloten ook honoraire leden aan te nemen, die tegen een vaste jaarlijksche contributie het recht zouden hebben, de gewone soirés van de werkende leden bij te wonen. Door het aannemen van niet-werkende leden nu werd de kiem gelegd tot de grootsche uitbreiding die Kunstmin later ondergaan zou. Intusschen had de vereeniging 7 November 1859 met een feestelijke soiree haar tienjarig bestaan herdacht en werd haar eerste voorzitter de heer J. P. Bredius tot haren eerevoorzitter benoemd. De feestzang te dier gelegenheid, door het medelid J. H. Peetsold vervaardigd, bevatte een dichterlijke schets van de lotgevallen van de vereeniging: Heil u, dat Gij ’t licht aanschouwdet In de grijze Merwestad. Daar toch, moge er Plutus wonen En Mercurius er troonen, Wordt de kunst steeds hoog geschat. =========================== Tien jaar telt alreê uw stichting! Kunst geheiligd en verlichting. Tien jaar is haar roem verbreid. Waaraan zijt ge dit verschuldigd? Welk beginsel werd gehuldigd? Eenheid in verscheidenheid. En, voorwaar! In al de streken Van den Vaderlandschen grond, Welk een kunst er aan moog’ kweeken, Nergens vindt m’ een kunstverbond, Zooals Merwe’s stad dit heeft! Kunstmin, dat naar eenheid streeft. Eenig zijt ge! Door te staren Op het hoofddoel: Harmonie; Door de stralen van ’t genie In een brandpunt zaâm te gâren Daardoor eenheid te bewaren, Weet Ge ons kunstgenot te baren. Zoo dichtte Peetsold, en naar waarheid. Het eerste Kunstmin. Het aannemen van honoraire leden bracht echter mede, dat de behoefte aan een eigen lokaal zich meer en meer liet gevoelen. Daarom werd in 1860, op voorstel van den toenmaligen penningmeester, den heer W. J. Paardekooper, besloten tot oprichting der buiten-sociëteit Kunstmin. Aan den Singel werd daartoe een buitenverblijf aangekocht, en tevens bepaald. dat alleen de leden der Vereeniging Kunstmin lid dier sociëteit konden zijn, en de ouden vereeniging ten allen tijde het recht zou bezitten de Buiten-Sociëteit met baten en lasten over te nemen. De sociëteit had evenwel een afzonderlijk bestuur en reglement, vastgesteld 13 November 1860, en dus kon men in zekeren zin zeggen, dat er twee vereenigingen naast elkaar bestonden; maar zij waren zóó innig aan elkaar verwant, dat een ineensmelting niet lang zou uitblijven. Dit geschiedde reeds bij besluit van 23 September 1863. Het aangekochte terrein werd door aankoop aanmerkelijk vergroot en bood ruimte genoeg aan voor een eigen gebouw, daar de Schouwburg in de Wijnstraat te klein werd om de soirées voor alle leden toegankelijk te maken. Bovendien had Kunstmin een overeenkomst aangegaan met het Harmonie-gezelschap ‚,Euterpe”‚ waarvan de toenmalige voorzitter van Kunstmin de heer D. de Jongh Wzn. ook werkend lid en voorzitter was, om op het terrein der vereeniging zijn zomerconcerten te geven. Uit deze overeenkomst zou, hoopte men, te eeniger tijd voortvloeien, dat de contribueerende leden van Euterpe, die een sociëteit vormden onder den naam van Hereeniging, meerendeels als leden van Kunstmin zouden toetreden. Die verwachting werd niet beschaamd. Kunstmin werd beschouwd als het brandpunt van alle tooneel- en muziekliefhebbers. De Dordrechtsche Liedertafel vereenigde zich in 1861 met de afdeeling Vocale Toonkunst. Daar in 1863 het logement Het Hof van Holland, met de daarbij behoorende erven en gebouwen in het Kromhout aan de stad was verkocht, en zou afgebroken worden voor den bouw van een nieuw Weeshuis, was het gezelschap Euterpe, dat zijn zetel in Het Hof van Holland had, verstoken van een plaats, om zijne concerten te geven, en kwam het contract met Kunstmin tot stand, waarbij Euterpe aannam, jaarlijks 12, later 13 zomerconcerten in Kunstmin te geven." Lees verder in de Dordrechtsche Courant van 9-5-1939.
meld misbruik
Ton Waalboer 3 jaar geleden
De muziektempel, weergegeven op de tekening 551_45009 betreft de meest oorspronkelijke muziektempel in de tuin van Kunstmin.
De muziektempel op deze afbeelding (552_315406) betreft de 2e versie waarvoor de bouwplannen in 1908 ontstonden. Er werd toen ook gesproken over een 2e veranda. Een stukje uit een krantenartikel van 11-3-1908: "Door den verkoop der strook van 2000 M² zal de waarde van het overblijvend terrein niet worden gedeprecieerd, aangezien een servituut kan worden gevestigd ten aanzien der bebouwing, zoodat er gelegenheid zal bestaan tot het maken eener tweede veranda, een welkome verbetering zeker wanneer de nieuwe muziektempel in het midden van den tuin wordt gebouwd. Ook bij eventueel lateren verkoop van het overblijvend terrein zal de verkoop der strook van 20 M. diepte van geen nadeeligen invloed behoeven te zijn, aangezien dan nog drie zulke strooken overblijven, gescheiden door een straat van 12 meter breedte." In het jaarverslag van 1934 aangaande het gebouw Kunstmin lees ik nog: " De muziektempel onderging door het aanbrengen van een betonnen voor-vloer op gemetselde fundeering een grondige reparatie, werd opnieuw geverfd en gewit en van een nieuwe verlichting voorzien." Uiteindelijk, met de verwezenlijking van het derde Kunstmin is de muziektempel geofferd (zie De Dordrechtsche Courant, 1939-05-09; p. 9).
meld misbruik
Ad Kliphuis 3 jaar geleden
Top of the bill !!!, Jeroen en Ton maakt de puzzel af. Bedankt.
meld misbruik
Ton Waalboer 3 jaar geleden
Inderdaad Jeroen, lijkt mij ook.
Aan het einde van de veranda (dus er voorbij), met de open kant richting Sint Jorisweg. 552_360021, 552_307991, 555_12123, 555_17698, 552_325796, 552_332066, 551_45009 (zie "G";Muziekkapel). Op 555_22514 krijg je helemaal een goed beeld. Het lijkt me overigens zo dat het meer door toehoorders werd gebruikt dan door de muzikanten zelf. Heb nog geen afbeelding gezien dat er een orkest in zit/staat te spelen. Wél andersom dus. Zie hiervoor b.v. 555_17698.
meld misbruik
Jeroen 3 jaar geleden
Dit lijkt me het muziektempeltje in de tuin van (het oude) Kunstmin.
Zie bijv. 552_315407, waarop het ook gedeeltelijk te zien is.
meld misbruik
Uw commentaar bij dit beeld

commentaar wordt direct op de site getoond

Neem het woord (6 letters) uit het plaatje over in het invulveld. Onleesbaar? Klik op het plaatje.
Sluit het Verborgen Museum